De sociocybernetische uitdaging

in een democratische samenleving [1]

 

Frans A.J. Birrer

Wiskunde Informatica & Samenleving Chemie & Samenleving

Postbus 9512 Postbus 9502

2300 RA Leiden 2300 RA Leiden

email : Frans Birrer

fax : 071 - 5276985

Terug naar inhoudsopgave

 

Samenvatting

Dit artikel is een beknopte verkenning van de mogelijkheden die de sociocybernetica biedt voor een herijking van de visie op wetenschappelijke activiteit, en wel in de richting van een perspectief waarin wetenschappelijke activiteit niet langer wordt opgevat als een neutrale operatie op een van de onderzoeker gescheiden 'werkelijkheid', maar als een vorm van reële of virtuele interventie. De vanzelfsprekendheid van wetenschap als een isoleerbaar, autonoom activiteitengebied komt daarmee te vervallen, en de rol van wetenschap zal derhalve aan bredere criteria moeten worden getoetst; een belangrijke toetssteen wordt daarbij gevormd door beginselen van democratie.

De noodzaak van een dergelijke herijkingsoperatie tekent zich steeds nadrukkelijker af, zowel in de praktijk van bijvoorbeeld wetenschappelijke advisering als in meer academische domeinen als die van de wetenschapsfilosofie en de wetenschapssociologie. Het leggen van een verbinding tussen cybernetica en democratie is enigszins "gewaagd" omdat de cybernetica in het verleden nogal eens kritiek heeft gekregen op veronderstelde anti-democratische implicaties. Het feit dat het spanningsveld tussen wetenschappelijke activiteit en democratie juist bij de cybernetica zo nadrukkelijk naar voren komt kan echter ook worden omgebogen tot een voordeel.

 

Het thema "sturing"

Sturing, het kernbegrip uit de cybernetica, heeft voor de sociale wetenschappen een hoge mate van actualiteit. We zien in de maatschappij voortdurend allerlei vormen van sturing optreden. Vatten we het begrip "sturing" in proces-dynamische zin op, dan gaat het om vormen van beïnvloeding waaraan op de een of ander manier een zeker "doel" kan worden toegekend - waarbij dat doel niet per se met een intentie van de beïnvloedende instantie hoeft te corresponderen. Bepaalde gedragsmechanismen kunnen bijvoorbeeld de sociale cohesie binnen een groep versterken zonder dat de groepsleden zich daarvan bewust zijn. We kunnen op deze manier zelfs van sturing spreken in een puur fysisch systeem: een thermostaat "stuurt" de verwarming, d.w.z. bepaalt wanneer hij aan- en uitgaat, en wel overeenkomstig een bepaald doel, namelijk het binnen bepaalde grenzen houden van de temperatuur. Het "doel" waaraan een bepaalde vorm van sturing wordt gerelateerd is in uiterste instantie altijd een keuze van degene die iets als sturing beschrijft, al kan deze voor de motivatie van die keuze soms weer doorverwijzen naar intenties van actoren.

Het begrip "sturing" kan ook in een engere zin worden opgevat, namelijk beperkt tot intentionele, doelbewuste sturing. Sturing in deze engere zin staat vandaag de dag met name in de belangstelling onder het aspect van de beperkte mogelijkheden tot sturing. De maakbaarheidsidealen uit de jaren '60 en '70 hebben plaats gemaakt voor het inzicht dat sociale processen zich niet zomaar laten sturen. In het kielzog van deze verschuiving kwamen ook begrippen als "zelfsturing" en "zelforganisatie" steeds meer in de belangstelling. In plaats van een centralistische planning die nauwelijks rekening houdt met de eigendynamiek van systemen, en die deze eigendynamiek niet zelden louter opvat als een storend element, kan misschien op een positieve manier gebruik worden gemaakt van de lokale eigendynamiek om bepaalde doelen te bereiken. In de praktijk vond dit idee vertaling in begrippen als "deregulering", "privatisering" en "convenant".

 

Wetenschap en sturing

Met het thema "sturing" betreedt men een politiek-maatschappelijk mijnenveld. Het raakt immers wezenlijk aan vragen over hoe er gestuurd wordt of zou moeten worden. Kan de sociocybernetische onderzoeker bij dit onderwerp ontkomen aan machiavellisme en decisionisme, of aan het aan anderen verschaffen van belangrijke hulpmiddelen daartoe? In de klassieke visies op wetenschap is dat geen probleem: wetenschappelijke kennis en de produktie daarvan kunnen daar in beginsel geheel los worden gezien van het toepassen van die kennis. Kennis is een neutraal instrument, dat net als andere instrumenten zowel ten goede als ten kwade kan worden aangewend.

Deze visie is heden ten dage, zeker voor een groot deel van de sociale wetenschap, niet meer houdbaar. De redenen daarvoor zijn onontkoombaar en fundamenteel, en hoewel de overwegingen voor een deel wel in een of andere vorm bekend zijn bij sociale wetenschappers is een korte precisering voor het vervolg toch gewenst. We zullen eerst de situatie bespreken bij onderzoek dat rechtstreeks aanbevelingen probeert te geven bij maatschappelijke problemen (bijvoorbeeld beleidsgericht onderzoek), om daarna kort het meer zuiver wetenschappelijk onderzoek te bezien.

Zodra uitspraken worden betrokken op een of ander maatschappelijk probleem, raakt de betekenis van die uitspraken noodzakelijkerwijs gekoppeld aan de context van dat probleem, of preciezer geformuleerd: aan de context van de discussie over dat probleem. Zijn de uitspraken oorspronkelijk uit een ander discours afkomstig, bijvoorbeeld uit de wetenschap, dan kan de lading van termen en beweringen plotseling ingrijpend veranderen. Zo is het binnen de wetenschap een methodologische keuze hoe men het begrip werkloosheid precies definieert. Maar op het moment dat het gaat over "bestrijding van de werkloosheid" wordt het van politiek belang wie daaronder valt en wie niet. Wetenschappelijke uitspraken raken dan verweven met probleemdefinities, en het wordt van essentieel belang wie de probleemdefinities bepaalt. Het ligt voor de hand om daarbij in eerste instantie op de een of andere manier uit te gaan van hoe de betrokkenen zelf het probleem definiëren. Wie precies als betrokkene moet worden opgevat is overigens al een politieke vraag. Maar er doet zich nog een fundamentelere complicatie voor: vaak is het zo dat de betrokkenen juist door een gebrek aan kennis hun probleem anders definiëren dan zij zouden doen wanneer zij die kennis wel hadden. Wil de onderzoeker de probleemhouders optimaal van dienst zijn, dan zal zij ongevraagd moeten anticiperen op wat dezen als het probleem zouden zien wanneer zij optimaal geïnformeerd zouden zijn; blijft deze anticipatie achterwege, dan blijven de probleemhouders verstoken van inzichten die voor hen van wezenlijk belang zijn, en waarom zij niet expliciet kunnen vragen omdat zij de relevantie van die vraag niet vooraf kunnen inzien [2]. Verder kunnen door de onderzoeker aangedragen inzichten leiden tot verschuivingen in de probleemstelling door de betrokkenen zonder dat de onderzoeker dat heeft voorzien. De probleemdefinitie kan dus alleen maar door onderzoeker en betrokkenen samen, interactief, worden ontwikkeld. Dat dit in de praktijk niet altijd zo verloopt, dat wetenschappelijke adviezen vaak als 'objektief' worden gepresenteerd, en de probleemgebondenheid aan het oog onttrokken, doet niets af aan het feit dat zinvolle wetenschappelijke advisering slechts in de context van specifieke probleemdefiniëringen kan worden begrepen (waarbij de mate waarin wetenschappelijke uitspraken en maatschappelijke probleemdefinitie nog wèl kunnen worden gescheiden, en de mate van benodigde interactiviteit, natuurlijk van geval tot geval kan verschillen).

Voor wat betreft 'zuivere wetenschap' ligt de verwevenheid met maatschappelijke context subtieler. Toch ontkomt men er ook bij zuiver onderzoek niet aan om uit de overstelpende hoeveelheid van aspecten van het sociale leven er slechts enkele te selecteren voor nadere beschouwing. Dit selectie-element induceert tevens een zekere duiding van het gedrag van actoren, die zelden volkomen zonder implicaties zal zijn voor het leven van de betreffende actoren, ook al heeft het onderzoek geen directe consequenties voor die actoren. Het is ook niet aannemelijk dat deze selectieve duidingen volkomen los staan van hoe de onderzoeker de wereld beleeft. Ook "zuivere wetenschap" kan dus niet worden gevrijwaard van diagnoserende elementen. Is er dan helemaal geen principieel verschil meer aan te geven tussen zuivere wetenschap en bijvoorbeeld wetenschappelijke beleidsadviezen? Natuurlijk wel, maar dat verschil is niet, zoals vaak impliciet of expliciet wordt aangenomen, te vinden op inhoudelijk of methodologisch niveau. Het onderscheid is te vinden in de context van de verschillende discoursen. Zo geeft een beleidsadvies aanleiding tot directe consequenties voor betrokkenen, terwijl men bij zuiver onderzoek werkt met min of meer hypothetische interim-resultaten, die hoogstens op langer termijn zouden kunnen leiden tot inzichten op grond waarvan verantwoorde praktische uitspraken kunnen worden gedaan. Bij een beleidsadvies is de afspraak dat er directe praktische consequenties aan mogen worden verbonden (de onderzoeker stelt zich in feite mede-verantwoordelijk voor eventuele praktische gevolgen), terwijl dat bij zuiver wetenschappelijk onderzoek niet zo rechtstreeks het geval is; maar ook bij het laatste zitten er wel implicaties in de uitspraken, we implementeren ze hoogstens niet direct, vanwege het hypothetische karakter. De "zuivere" onderzoeker werkt met een gedeeltelijk hypothetische visie op de wereld, een visie die bedoeld is voor de ontwikkeling van wetenschappelijke inzichten en niet voor direct gebruik in de praktijk. Zijn interventie heeft dus plaats in een virtuele wereld, maar veelal toch met indirecte implicaties voor de praktijk. We kunnen dit kortweg aanduiden als "virtuele interventie".

Onderzoeksuitspraken hebben dus in beginsel het karakter van een reële of tenminste virtuele interventie: de resultaten hebben directe consequenties voor actoren, of hebben op zijn minst indirecte implicaties voor actoren via een proces van verdere gedachtenvorming dat op termijn mogelijk wèl tot directe consequenties kan leiden. De soms onvermijdelijke probleemanticipatie door de deskundige introduceert nog een extra element van sturing.

Dit alles onderstreept dat met een begrip als "sturing", waarvan evident is dat het maatschappelijke implicaties kan hebben, tenminste enige voorzichtigheid geboden is. Sterker nog, we kunnen op grond van het voorafgaande zeggen dat onderzoeksuitspraken zelf in zekere mate als een bron van "sturing" kunnen worden opgevat.

 

Wetenschap als sturing in democratisch perspectief

Het thema "sturing" slaat dus op een reflexief niveau weer terug op het onderzoek zelf. Het is juist op dit punt dat de cybernetica in het verleden nogal eens onder vuur heeft gelegen. Critici meenden dat het raamwerk van de cybernetica "stuurde" in de richting van de implementatie van ongewenste vormen van maatschappelijke sturing. Op deze kritiek zal ik later wat uitgebreider ingaan. Op dit moment wil ik stilstaan bij een meer positief perspectief: juist het feit dat de cybernetica sturing als hoofdthema heeft schept in beginsel mogelijkheden voor reflectie op de maatschappelijk sturende werking van wetenschappelijke activiteit, en op de verantwoordelijkheid van de onderzoeker, kwesties die niet uitsluitend voor de cybernetica, maar voor de gehele wetenschapsbeoefening van belang zijn.

Deze mogelijkheid tot reflectie op de eigen activiteit is binnen de cybernetica niet onopgemerkt gebleven, en heeft o.m. geleid tot een aantal ontwikkelingen die vaak worden aangeduid met de term "tweede orde cybernetica". Ook op deze ontwikkelingen kom ik later terug. Enigszins daarop vooruitlopend kan alvast worden vermeld dat de nadruk daar veelal ligt op min of meer formele operaties die naar elkaar terugverwijzen, en in eerste instantie minder op machtsverhoudingen, en het is dit laatste thema dat ik nu nader wil exploreren.

De kern van het spanningsveld tussen de rol van wetenschappelijke kennis en het idee van democratie is gelegen in de kennisongelijkheid tussen deskundige en niet-deskundige. Deskundigen zijn vaak onmisbaar voor het bepalen van de best mogelijke keuzen, maar de niet-deskundige wordt daarmee wel afhankelijk van de deskundige. Wanneer er absolute, ondubbelzinnige criteria voor wetenschappelijke kennis bestonden dan was dat niet zo'n probleem, maar juist als het over maatschappelijk relevante thema's gaat is wetenschappelijke kennis vaak allerminst aan een eenduidige standaard te relateren. De vraag is dan of de onderzoeker niet bepaalde waardeoordelen of partijdige keuzen binnensmokkelt; we hebben immers gezien dat het voor deskundigen bij een bepaald maatschappelijk probleem vaak niet mogelijk is om relevante uitspraken te doen die geheel vrij zijn van normatieve probleemdefiniëring. Hoe kan met dit gegeven op een verantwoorde manier worden omgaan?

We hebben al gezien dat de onderzoeker er vaak niet aan ontkomt om te anticiperen op een probleemdefiniëring die uitstijgt boven de probleemdefiniëring door de actoren op dat moment. Uiteindelijk zullen de actoren echter zelf moeten kunnen beslissen hoe zij hun probleem definiëren. De onderzoeker mag een verandering van probleemdefinitie voorstellen, maar moet de uiteindelijke beslissing over het al dan niet accepteren van die probleemstelling overlaten aan de actoren, en moet ook voor de actoren zoveel mogelijk inzichtelijk maken wat de gevolgen van een verschuiving voor verschillende actoren zijn. Het ankerpunt blijft dus steeds de democratische gemeenschap. Wetenschappelijke respectievelijk wetenschappelijk ondersteunde problem solving activiteit komt daarmee in een heel ander licht te staan dan in de traditionele kijk op wetenschap.

Maar het kan niet uitsluitend aan de goede wil van individuele onderzoekers worden overgelaten of wel met alle overwegingen en belangen rekening gehouden wordt. Er is op dit punt een zekere mate van controle nodig. Het zal duidelijk zijn dat dit geen puur wetenschapsinterne controle kan zijn, deskundigen kunnen immers belang hebben bij allianties met bepaalde partijen in het maatschappelijke krachtenveld; ook deze controle zal uiteindelijk weer moeten worden verankerd in de democratische gemeenschap zelf. Zulke controleprocessen vinden in de praktijk natuurlijk ook plaats, bijvoorbeeld door instanties als milieubeweging, vakbonden e.d. die de officiële beleidsrapporten met eigen rapporten pareren. Het is niet mijn bedoeling om hier uitgebreid in te gaan op de vraag hoe dergelijke controleprocessen in de praktijk het beste vorm gegeven kunnen worden. Ik wil slechts signaleren dat het kennelijk noodzakelijk is om in het beeld van het functioneren van wetenschap ook zulke controlemechanismen op te nemen.

Interne bewaking en externe controle kunnen op een natuurlijke wijze in ons beeld van wetenschappelijke activiteit worden opgenomen door gebruik te maken van een bekend model uit de cybernetica, namelijk dat van terugkoppeling of negatieve feedback. Door te denken in termen van bijsturing kunnen we tevens ontkomen aan de totalitaristische en centralistische implicaties van klassieke benaderingen.

De algemene lijn die uit het voorafgaande opdoemt komt neer op een nieuwe doordenking van het kader van wetenschappelijk onderzoek uitgaande van de rol van de onderzoeker als bron van mogelijke sturing, en van de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt. Ik wil deze lijn nu vergelijken met de al eerder genoemde ontwikkelingen in de cybernetica, en met de kritiek die in het verleden op de cybernetica is geuit.

 

Tweede orde cybernetica, autopoiese en zelforganisatie

In de afgelopen twee decennia zijn een aantal pogingen gedaan om te komen tot een "tweede orde cybernetica" waarmee een aantal beperkingen van de klassieke cybernetica zouden kunnen worden overstegen [3]. Een belangrijke thema daarbij is de rol van de observator. Traditioneel wordt de (wetenschappelijke) observator gezien als iemand die 'van buiten af' naar het geobserveerde systeem kijkt, als een neutrale toeschouwer die aan het geobserveerde zelf geen deel heeft. De tweede orde cybernetica verwerpt dit 'afspiegelings'-idee: er is geen buiten de mens bestaande werkelijkheid (of in elk geval kunnen we die niet geheel onafhankelijk waarnemen); de observator is deel van het geobserveerde systeem. Een observatie blijft in beginsel niet zonder gevolgen voor het geobserveerde systeem, en de tweede orde observator moet reflexief worden t.a.v. zijn eigen positie.

Veel van deze beschouwingen gaan uit van min of meer formeel beschreven operaties. Zo schrijft Von Foerster [4] dat we op zoek moeten gaan naar 'fixpunten'. In de wiskunde wordt het begrip fixpunt weergegeven door de vergelijking f(x)=x. In de context van de cybernetica moet dit worden begrepen als stabiele (observatie-)operaties. Het is evenwel niet duidelijk hoe de eerder aangeduide verantwoordelijkheden van een observator zich onder een formele beschrijving laten brengen. Het gaat om een interactieproces tussen observator en geobserveerden, waarvan de essentie niet formeel vooraf kan worden vastgelegd zonder aan het open, democratisch karakter van die interactie afbreuk te doen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat niet bepaalde randvoorwaarden kunnen worden aangegeven. Je kunt bijvoorbeeld wijzen op de gevaren van bepaalde processen die het democratisch gehalte ernstig kunnen schaden; maar het bewaken van het democratisch karakter kan niet tot formele operaties worden gereduceerd.

Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt naar aanleiding van een ander begrip dat in de tweede orde cybernetica een belangrijke rol speelt, namelijk dat van recursieve operaties. Bij gebrek aan een absoluut referentiepunt kunnen operaties uiteindelijk niet anders dan naar elkaar verwijzen. Maar ook dit gegeven biedt weinig houvast wanneer het proces niet tot operaties in formele zin kan worden gereduceerd.

Ook voor het begrip 'autopoietisch systeem' geldt een dergelijke beperking. Een autopoietisch systeem wordt gekenmerkt door een voortdurend zelfconstitutie-proces via operaties die een gesloten systeem vormen, en waarbij elke operatie weer andere operaties uitlokt. Door het gesloten karakter is deze beschrijving minder geschikt om de verantwoordelijkheid van de observator adequaat weer te geven.

Een speciale plaats in de theorie van autopoiese wordt ingenomen door de socioloog Niklas Luhmann [ 5]. In termen van aantallen publikaties en diversiteit aan onderwerpen kan zijn werk een hoge mate van uitgewerktheid niet ontzegd worden. Het is echter niet bijzonder toegankelijk, en op sommige punten zelfs ronduit duister. Zo neemt Luhmann aan dat betekening altijd eenzijdig is, d.w.z. dat je bij het hanteren van een onderscheiding steeds maar naar één kant van die onderscheiding kijkt. Waarom dit zo is wordt niet duidelijk. Daarmee samenhangend stelt hij dat je ofwel naar een systeem kunt kijken vanuit de omgeving (je ziet het systeem dan als input-output gedrag) òfwel dat je het beziet als een interne dynamiek (met verwaarlozing van de omgeving). Dergelijke veronderstellingen maken van het observeren wel een erg beperkte en eenzijdige bezigheid. Men zou eventueel nog kunnen volhouden dat de observator beide perspectieven nooit helemaal gelijktijdig kan hanteren, maar het lijkt niet onredelijk om te veronderstellen dat er vaak sprake zal zijn van snel en veelvuldig switchen tussen beide perspectieven; die mogelijkheid komt Luhmann echter niet uit omdat daarmee de door hem aangebrachte systeemscheidingen aan betekenis inboeten.

Een ander belangrijk element bij Luhmann is het idee dat communicatieprocessen als autopoietische processen over bepaalde codes moeten worden opgevat; elk communicatiesysteem wordt bepaald door zijn code. Op die manier zijn politieke vragen gescheiden van bijvoorbeeld morele, wetenschappelijke, of juridische vragen; wisselwerkingen zijn beperkt tot wederzijdse 'irritaties'. Hiermee wordt weinig recht gedaan aan bijvoorbeeld de voortdurende wisselwerking tussen wetenschap, politiek en moraal zoals die in het voorafgaande werd aangeduid. Natuurlijk vindt soms opsplitsing plaats, in het bijzonder wanneer het om communicatie over routinevragen gaat; maar zelfs bij standaardvragen en standaardantwoorden moet steeds worden beoordeeld of het onderhavige geval wel via de betreffende routine kan worden afgedaan. Luhmann schuift dat soort verwevenheden naar de achtergrond, omdat hij alleen dan met gesloten systeembeschrijvingen kan werken; maar aan de wenselijkheid daarvan kan ernstig worden getwijfeld.

Tenslotte is er nog het thema zelforganisatie. Soms ontstaan in een sociaal systeem spontaan organiserende patronen. Onder deze emergerende ordeningen gaan vaak processen schuil met een sterke eigendynamiek die zich niet zo maar in een willekeurig gekozen richting laat ombuigen. In termen van wiskundige modellen wordt vaak een link gelegd naar de niet-lineaire systemen, waarbij elementen met heel eenvoudige gedrags- en interactiepatronen gezamenlijk tot heel complexe structuren kunnen leiden. Dit alles spoort in zoverre met de eerder ontwikkelde lijn dat het wegvoert van het idee van centralistische, wetenschappelijk georiënteerde planning die elke vorm van participatie bij voorbaat buiten spel zet. Tegelijk sluipt echter het gevaar van een laisser faire benadering in: "als de actoren het niet uit zichzelf doen valt er weinig aan te veranderen".

 

Systeemtheorie en problem solving

Meer openingen in de richting van een bezinning op de verantwoordelijkheid van de onderzoeker/observator biedt het werk van een aantal pioniers van de systeemtheorie, zoals Churchman [ 6]. Zijn benadering plaatst de cliënt of customer van het onderzoek centraal, d.w.z. degene(n) wiens belangen moeten worden gediend. Recentere en wat meer uitgewerkte benaderingen met een min of meer participatief karakter zijn de Soft Systems Methodology van Peter Checkland [7], en Fourth Generation Evaluation van Guba en Lincoln [8]. Het werk van De Zeeuw [9] gaat in een enigszins vergelijkbare richting, maar dan uitdrukkelijk gerelateerd aan tweede orde cybernetica. Ook in de literatuur op het terrein van 'problem solving' duikt het thema participatie en democratisering op (zie bijvoorbeeld de bespreking door Flood en Jackson [10] van een aantal methoden op dit gebied). Al deze benaderingen propageren een dialoog tussen deskundige en cliënt. Wat evenwel bijna steeds ontbreekt is een systematische analyse van de fundamentele obstakels die men daarbij op zijn weg vindt, in de vorm van de ongelijkheid tussen deskundige en niet-deskundige, en de doorwerking daarvan, bijvoorbeeld het eerder genoemde anticiperende karakter van uitspraken van de deskundige. Ook het aspect van controle komt vrijwel nergens aan de orde.

 

De kritiek op de (klassieke) systeemtheorie en cybernetica

De klassieke systeemtheorie en cybernetica hebben in het verleden nogal eens onder vuur gelegen. Uiterst polemische kritiek, vooral op het praktijkgebruik van systeemachtige benaderingen door Amerikaans overheidsinstanties, is bijvoorbeeld geleverd door Hoos [11]. Fundamenteler uitgewerkte kritiek kan gevonden worden in de bijdragen van Habermas in een bundel waarin hij in discussie gaat met Luhmann [12]. Kritiek heeft bijna steeds betrekking op een of andere vorm van reductionisme die men de cybernetica aanwrijft. Ik zal enkele hoofdpunten van kritiek kort weergeven, om ze vervolgens te analyseren.

(i) mechanistisch en deterministisch mensbeeld

De mens wordt in de cybernetica afgebeeld als een soort van automaat die willoos reageert op de wereld om hem heen.

(ii) eliminering van menselijke autonomie, beheersingsperspectief

In de cybernetica is de mens niet langer autonoom, maar gereduceerd tot een pion in een schaakspel. De cybernetica is een instrument voor personen en instanties die op de beheersing van anderen uit zijn.

(iii) technocratische bias, decisionisme

De cybernetica onderwerpt de mens aan een eenzijdig technische rationaliteit. De wetten waaraan het sociale systeem geacht wordt te gehoorzamen maken het nemen van beslissingen tot een puur technische zaak van experts, de mensen waar het om gaat worden buiten spel gezet.

(iv) conservatisme

De cybernetica gaat uit van de huidige wijze van functioneren van het systeem, en doet dus niets anders dan het bevestigen van de status quo.

Van al deze punten van kritiek kan worden volgehouden dat zelfs als dergelijke ongewenste tendensen soms in de praktijk voorkomen, ze niet als een noodzakelijke karaktertrek kunnen worden aangemerkt van het vakgebied van de cybernetica als zodanig. Dit is dan ook de gebruikelijke manier van verweer geweest vanuit de cybernetica. Daarmee is de kritiek echter niet weerlegd. We hebben al eerder gezien dat aan wetenschappelijke denkkaders een sturende werking kan worden toegekend. Ook de instrumenten van de cybernetica scheppen een gespecialiseerde taal waarin bepaalde verschijnselen zich gemakkelijk laten uitdrukken en andere niet, waarbij de laatste al snel verdrongen raken, al dan niet met opzet. De klassieke cybernetica heeft moeite met niet-mechanistisch gedrag omdat dat zich niet makkelijk onder een systemische beschrijving laat vatten; de nadruk op systemisch beschrijfbaar gedrag leidt weer vrijwel vanzelf tot een technocratische benadering, en ook de beperking tot hoe het systeem op dat moment functioneert is een 'makkelijke weg' voor de onderzoeker. Het zijn dus inderdaad geen volstrekt onvermijdelijke karaktertrekken, maar wel valkuilen waar men heel gemakkelijk, en zonder dat men het zelf merkt, in terecht komt. Het is trouwens niet alleen de onderzoeker die vaak een voorkeur heeft voor de gemakkelijke weg van 'harde' uitspraken - daarbij die aspecten wegmoffelend die nog niet zo goed begrepen zijn -, ook bij opdrachtgevers bestaat vaak een sterke drang naar 'harde cijfers' om hun eigen verantwoordelijkheid bij beslissingen te minimaliseren. Deze tendensen kunnen niet langs puur analytische weg worden buitengesloten. De enige mogelijkheid is om in het model controlerende en bewakende krachten in te bouwen [13].

 

Conclusie

Het beeld van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijke expertise is aan een grondige herijking toe. De sociocybernetica kan aan deze herijking bijdragen door de "sturende" effecten als gevolg van wetenschappelijke activiteit te thematiseren. Wetenschap is in die optiek niet langer een leverancier van "neutrale' beschrijvingen en verklaringen. Beschrijvingen en verklaringen zijn selecties die onderbepaald zijn door de data; deze onderbepaaldheid kan slechts worden opgeheven door het doel van beoogde ingreep te specificeren. Generalisatie vindt niet langer plaats m.b.t. fenomenen in een buiten ons gedachte werkelijkheid, maar binnen een bepaalde interventie-context, of m.b.t. overeenkomstige vormen van interventie.

Min of meer formele structuren en modellen zijn voor de wetenschap onmisbaar, maar roepen tegelijk ook een soort van "virtual reality" op die de gebruiker gemakkelijk de beperkingen ervan uit het oog doen verliezen. Er kan pas zicht komen op beteugeling van zulke vormen van zelfmisleiding wanneer bewaking en controle (dat wil zeggen: terugkoppeling) een expliciete plaats in ons beeld van wetenschappelijke activiteit verwerven.

 

[1] Paper gepresenteerd op de 7e Sociaal-wetenschappelijke Studiedagen, 11 & 12 april 1996, Amsterdam. Alle rechten van deze tekst : Frans A.J. Birrer

[2] Deze anticipatie en de consequenties daarvan worden verder uitgewerkt in Frans A.J. Birrer : Client-oriented anticipation in expert advice (paper in voorbereiding).

[3] Voor een uitgebreider overzicht zie R.F. Geyer, J. van der Zouwen : Cybernetics and social science. Theories and research in sociocybernetics, Kybernetes 20 nr. 6, december 1991

[4] Heinz von Foerster : Objects : tokens for (eigen-)behaviors, in Heinz von Foerster : Observing systems, 1984, Intersystems, Seaside (Cal.)

[5] Grondslagen zijn te vinden in Niklas Luhmann : Soziale Systeme, 1984, Suhrkamp, Frankfurt am Main

[6] Zie bijvoorbeeld C. West Churchman : The design of inquiring systems : basic concepts of systems and organization, 1971, Basic Books, New York

[7] Peter Checkland : Systems thinking, systems practice, 1981, Wiley, New York

[8] Egon G. Guba, Yvonna S. Lincoln : Fourth generation evaluation, 1989, Sage, Newbury Park (Cal.)

[9] Zie bijvoorbeeld Piet Groen, Anny Kersten, Gerard de Zeeuw : Beter sociaal veranderen : een onderzoeksaanpak, 1980, Coutinho, Muiderberg

[10] Robert L. Flood, Michael C. Jackson : Creative problem solving, 1991, Wiley, Chichester

[11] Ida R. Hoos : Systems analysis in public policy. A critique, 1972, University of California Press, Berkeley

[12] Jürgen Habermas, Niklas Luhmann : Theorie der Gesellschaft oder Sozialtechnologie - Was leistet die Systemforschung?, 1971, Suhrkamp, Frankfurt am Main

[13] vgl. Frans A.J. Birrer : Reflexivity as reducing distortion of judgement, Systemica 8 (1991) part II, 43-52; Frans A.J. Birrer : Counteranalysis, in Thomas Brante, Steve Fuller, William Lynch (eds.) : Controversial science. From content to contention, 1993, State University of New York Press, New York