In de geschiedenis van de natuur- en menswetenschappen zijn er
altijd onderzoekers geweest die trachtten over de grenzen van hun
eigen discipline heen te kijken, zich inleefden in de denkwijze van
onderzoekers uit een andere disciplines, om samen verder te komen dan
elke discipline afzonderlijk. Er zijn mooie voorbeelden bekend van
het soort wetenschappelijke kennis dat dergelijk horizonverruiming
oplevert en het lijkt er tegenwoordig zelfs op dat dergelijke
ondernemingen onontbeerlijk voor de moderne wetenschapsbeoefening. In
dit artikel ga ik in op de wijze waarop sociale wetenschappers
trachten over de grenzen van hun eigen discipline heen te kijken,
zich begeven in de fascinerende gedachtenwereld van de cybernetica en
de systeemtheorie, om zo het sturingsvraagstuk van sociale systemen
op een interdisciplinaire wijze aan te pakken. De naam voor dat
vakgebied dat zo wordt ontsloten is de socio-cybernetica.
Er is veel door socio-cybernetici gepubliceerd dat de moeite waard
is. In dit artikel concentreer ik mij op uiteenzettingen die de
afgelopen jaren plaats hebben gevonden over het vraagstuk van de
(zelf)organisatie en (zelf)sturing van sociale systemen. De lezer zal
merken dat ik mij op dit frontgebied van de socio-cybernetica
kritisch op stel, niet om te laten zien wat er allemaal fout gaat,
maar om een weg te wijzen waarmee het onderzoek van zelforganisatie
met meer succes kan worden aangepakt. Ik doe namelijk het voorstel
het onderzoek naar zelforganisatie te transformeren naar onderzoek
van complexiteit. Zo kan aangesloten worden bij het
onderzoeksprogramma in de natuurwetenschappen naar complexiteit.
In deze uiteenzetting zal ik om meer interdisciplinariteit vragen dan
gebruikelijk is in socio-cybernetische kringen. De globale
omschrijving van het begrip complexiteit gebruik ik als startpunt
voor een uiteenzetting van wiskundige, filosofische, en
wetenschapstheoretische aard. Zo leg ik de basis leg voor de stelling
dat onderzoek van zelforganisatie kan worden uitgevoerd als onderzoek
van complexiteit.
Een globale omschrijving van complexiteit: een begin
De vraag wat complexiteit inhoudt kan om te beginnen eenvoudig
worden beantwoord met behulp van een woordenboek. In het Prisma
Woordenboek (Weijnen 1974) vindt men dat complex betekent "een
samengesteld geheel". Dat is de omschrijving die evident is en
waarmee iedere taalgebruiker min of meer uit de voeten kan. Ook
onderzoekers zullen vanuit hun taalgevoel en gezond verstand snel
stellen dat een complex geheel een ingewikkeld geheel is, wat zich
daardoor wat minder gemakkelijk op een eenvoudige wijze laat
onderzoeken. Methodologen, zoals ik, maken zich dan druk om de vraag
hoe dat minder eenvoudige er uit ziet en welke onderzoeksmethoden
adequaat zijn om complexiteit als "samengesteld geheel" tot zijn
recht te laten komen. Onderzoekers die hopen dat het minder
eenvoudige toch eenvoudig is, stellen dat er meerdere variabelen zijn
en dat het vooral de kunst is de samenhang tussen deze variabelen op
het spoor te komen, bijvoorbeeld door multivariate analyse te
gebruiken. De statistiek geeft dan de mogelijkheid de onzekerheid en
het toeval uit te drukken die de onderzoeker ondervindt in zijn
poging zo de complexiteit tot uitdrukking te brengen.
Maar er komt ook een discussie naar voren die historisch gesproken
vanuit de systeemtheorie is aangezwengeld. Het gaat om de discussie
wat een samengesteld geheel is. Wordt met de gangbare methoden en
technieken dat geheel uitgedrukt? En is het geheel eigenlijk niet
"meer dan de som der delen"? Op die vraag gaan moderne methodologen
in door te verwijzen naar kwalitatieve methoden, als bijvoorbeeld
probleemanalyse, participerende observatie, inductieve
theorievorming, èn kwantitatieve technieken, als bijvoorbeeld
multivariate analyse, lisrel en multi-level analyse. Veel vragen zijn
dan echter nog niet beantwoord en onderzoekers hebben aan het
onderzoek van complexiteit nog steeds een hele opgave.
De omschrijving wordt zeker minder eenvoudig, om niet te zeggen
paradoxaal, als men kijkt naar het moderne complexiteitsonderzoek in
de natuurwetenschappen. Dat wordt duidelijk bij beschouwing van de
gangbare definities in dat onderzoek van complexiteit. Neem
bijvoorbeeld de definitie van David Griffeath.
A complex system is an evolution generated by simple mathematical
rules or physical principles that exibits complicated, unpredictable
behavior
(Statistical Science, Volume 7, no. 1, 1992, p. 104)
Het gaat om een systeem dat wordt voorgesteld als een ontwikkeling.
Het is blijkbaar belangrijk in deze visie aan te geven dat een
complex systeem niet eenvoudig kan worden voorgesteld als een
statische verzameling van samenhangende variabelen. Ook de samenhang
ontwikkelt zich en is niet te zien als een constante. Zo wordt
tegemoet gekomen aan het idee van systeemtheoretici dat het geheel
meer is als de som der delen. En zo wordt ook de pas afgesneden voor
onderzoekers die graag zouden willen dat hun factoranalyse of andere
bijzonder ingewikkelde multivariate (desnoods niet-lineaire) analyse
dergelijke complexiteit afdoende kan uitdrukken.
Er is nog meer aan de hand. Een complexe systeem kan worden
voortgebracht door eenvoudige mathematische regels die uitgedrukt
kunnen worden in een eenvoudig algorithme maar desondanks leiden tot
onvoorspelbare uitkomsten. Hoe is dat nu mogelijk? Want houdt juist
een algorithme niet in dat iets 100% controleerbaar is, dat herhaling
van de berekening steeds leidt tot dezelfde uitkomst, en de
resultaten dus 100 % voorspelbaar (moeten) zijn? [1] Wordt dan zelfs
mijn zakrekenmachine op die manier niet tot een onbetrouwbaar
instrument? Moet ik dan concluderen dat het niet ligt aan de
fabrikant dat de uitkomsten verschillen maar aan het algorithme? Het
wordt tijd voor voorbeelden.
Simpele regels leiden tot onvoorspelbare
uitkomsten:
Laten wij beginnen met eenvoudige wiskundige regels ofwel een
simpel algorithme waarmee de bevolkingsgroei kan worden uitgerekend.
Dat kan uitgerekend worden als: Bevolking (in jaar n+1) = Bevolking
(in jaar n) + geboorten - sterften = Bevolking (in jaar n) *
(geboortepercentage - sterftepercentage). Drukt dat men uit als een
differentie-vergelijking per jaar (Dt), dan wordt het:
![]()
Waarbij a= geboortepercentage-sterftepercentage en b uiteraard de
bevolking voorstelt. Men kan daar een differentiaalvergelijking van
maken door Dt Æ 0. De analytische te
bepalen oplossing voor deze differentiaalvergelijking is:
![]()
Tot zover is er nog niets aan de hand. De uitkomst van dit algorithme
voor het bereken van de bevolkingsgroei is analytisch te bepalen en
perfect te voorspellen. Maar stel dat wij het iets minder simpel
maken zoals de demograaf Verhulst (1840) dat deed. Hij redeneerde
over de mogelijkheid dat het groeipercentage
(geboortepercentage-sterftepercentage) werd beperkt door de
schaarsheid aan bestaansmiddelen, oftewel dat het groeipercentage
afhing van de bevolkingsgrootte. Stelt men daarbij de maximale
bevolkingsgrootte op 1 (dus b(maximaal)=1) dan kan men dat op de
meest simpele manier uit drukken als:
![]()
Is deze vergelijking analytisch oplosbaar? Wie er de tekstboeken
(Cullen 1996 b.v.) op naleest zal de oplossing kunnen terugvinden
als:
![]()
Als men een dergelijke funktie plot ( 0> b0 <<1 ) krijgt men de volgende grafiek:

Het is een functie die bekend is als de logistische groeicurve en betekent voor biologen, epidemiologen, economen, psychologen en sociologen een mooie mogelijkheid de groei die geremd wordt door beperkende faktoren ordentelijk en voorspelbaar te beschrijven. Maar is de differentievergelijking of de daaruit af te leiden differentaalvergelijking altijd zo ordentelijk te bepalen? Daarop moet het antwoord ontkennend luiden. En dat is het begin van een onderzoeksprogramma in de wiskunde naar onvoorspelbaarheid en complexiteit. Omdat de weg tot een analytische oplossing voor dit soort vergelijkingen nogal moeilijk begaanbaar en zelfs soms principieel onmogelijk hebben wiskundigen het nuttig gevonden de oplossingsstrategie te zoeken via de weg van de nummerieke wiskunde en als daarbij de computer wordt ingeschakeld (hetgeen in de moderne wiskunde al eigenlijk onontbeerlijk is) via computersimulatie. Stel dat men daarbij met verschillende waarden van

r gaat werken. Er is dan uit de grafieken af te leiden hoe regelmatig de uitkomsten van de differentiaalvergelijkingen zijn (zie figuren 2,3 en 4). Het is duidelijk dat voor r = 3 er niet een uitkomst is, maar blijkbaar 2 waarden mogelijk zijn. Dat is nog te volgen en zou in termen van voorspelbaarheid beteken dat afwisselend de ene en daarna de andere waarde voor komt. Bij r = 3.5 wordt het iets ingewikkelder. Maar ook daar zou men kunnen volhouden dat er een aantal mogelijke waarden zijn en dat die elkaar afwisselen. Maar bij r = 3.9 wordt het principieler. Het is dan namelijk niet mogelijk te zeggen dat er een overzienbaar aantal waarden de uitkomst zijn van de differentiaalvergelijking. Er zijn blijkbaar een willekeurig aantal waarden mogelijk, het aantal dat verschilt is willekeurig groot. Deze verrassende uitkomsten van het algorithme is ook nog op een andere manier uit te drukken. Men kan namelijk een plot maken waarbij de uitkomsten voor varierende r worden aangegeven. Het resultaat daarvan ziet men in figuur 5.

Uit deze grafiek maar uiteraard vooral op de daarop volgende exacte redeneringen blijkt dat er geen eenduidige uitkomst is van de logistische functie. In bepaalde gebieden is er geen eenduidige uitkomst, c.q. voorspelling mogelijk van die uitkomst. Oftewel:
|
1 < r 3 |
één curve |
|
3 < r 3.449499 |
heen en weer springend |
|
449499 < r 3.54090 |
viercyclus |
|
54090 < r 3.564407 |
achtcyclus |
|
r > 3.6692016 |
chaos plus periodiciteit |
Vooral bij de waarde r > 3.6692016 wordt de uitkomst
onoverzichtelijk. Er zijn dan tussen bepaalde waarden een willekeurig
groot aantal uitkomsten mogelijk, of als men dat anders wil zeggen
een oneindig aantal uitkomsten mogelijk. Dat houdt in dat er in die
zin geen voorspelling meer mogelijk is. Afhankelijk van de
nauwkeurigheid van de computer en de te gebruiken software kan men op
elke mogelijke waarde tussen twee al reeds gevonden waarden
terechtkomen. Zoals de definitie van David Griffeath laat zien kan
dit resultaat worden begrepen in het kader van de
complexiteitstheorie.
Software en hardware als hulpmiddel
Met bovengenoemde differentiaalvergelijkingen kan men eigenlijk
alleen maar werken als men de computer gebruikt. Programmeertalen als
Basic, Pascal, C, Simula, Dynamo (specifiek toegespitst op
differentie-vergelijkingen) en meer op wiskundige formule gerichte
software zoals Maple, Mathematica, ODE maken het wiskundigen mogelijk
hun onderzoek van niet analytisch oplosbare
differentiaalvergelijkingen met succes aan te pakken. Voor wiskundig
minder onderlegde onderzoekers is het echter intussen ook mogelijk
gebruik te maken van software die wat minder technisch is en meer
gebruikersvriendelijk. Het aardige is dat die software op basis van
de simulatie programmeertaal Dynamo ontwikkeld is door onderzoekers
van het MIT zoals Forrester (1971), Meadows (1974) en Richardson in
hun interdisciplinaire aanpak van sociale systemen en problemen. Met
hulp van software zoals Stella (Powersim is een ander voorbeeld) is
een volgende stap in ons onderzoek van zelforganisatie ook voor
relatief minder onderlegde wiskundige gemakkelijker te maken.
Ter voorbereiding van die stap. Hoe wordt met behulp van Stella de
eerder behandelde differentaalvergelijking die slaat op
bevolkingsgroei aangepakt? Allereerst kan men in Stella werken met
grafische symbolen die een toestand voorstelt werken. De omvang van
een bevolking in een bepaald jaar is zo'n toestand. Dat wordt dan
voorgesteld door het volgende symbool:
Men kan zich dat voorstellen als een bak water waar iets instroomt (aantal geboorten per jaar) en iets uitstroomt (aantal sterfgevallen per jaar).Zo'n stroom wordt voorgesteld door:
Verder zijn er nog wat symbolen die (hulp)variabelen voorstellen en symbolen die de afhankelijkheid van de ene variabele van de andere variabele voorstellen. Vervolgens brengt men de verbale redeneringen die men hanteert als men het over bevolkingsgroei heeft in kaart. Allereerst met een verbale beschrijving. Een bevolking groeit in omvang, of neemt af, door geboorten en sterften. Het aantal kinderen dat geboren wordt is evenredig met de omvang van de bevolking en het geboortepercentage. Evenzo is het aantal mensen dat sterft afhankelijk van het sterftepercentage en de omvang van de bevolking. In Stella bouwt men dan het volgende diagram:

De bijbehorende differentiaalvergelijkingen kan men ook afleiden.
Stella geeft ze echter kado:
|
bevolking(t) = bevolking(t - dt) +
(geboorten - sterften) * dt INIT bevolking = 100000 OUTFLOWS: sterften = sterftepercentage*bevolking geboortepercentage= 0.03 sterftepercentage = 0.02 |
Stella geeft de oplossing, c.q. de output van dit systeem van vergelijkingen grafisch weer:

Duidelijk te zien is dat de oplossing van deze lineaire
differentiaalvergelijking een niet lineaire functie van de tijd
is.
Niet-lineaire
differentiaalvergelijkingen
De volgende stap in ons onderzoek van zelforganisatie is de
simulatie van de logistische vergelijkingen. Hierbij hangt de groei
(geboorten-sterften) af van de bevolkingsomvang (B), bijvoorbeeld
omdat men beredeneert dat het milieu maar tot een bepaalde grens een
populatie kan ondersteunen. Houdt dat simpel en stel dat er een
maximum omvang (support) is die het milieu kan ondersteunen, zodat
men tenslotte kan schrijven voor tijdstip Dt :
DB = geboortemultiplier*B*(support-B) -
B*sterftemultiplier
Een dergelijke redenering kan men makkelijk in Stella kwijt, omdat
immers:
DB/Dt = geboortemultiplier*B*(support-B) - B*sterftemultiplier

Men vult nu in: sterftemultiplier=0.05; geboortemultiplier=0.0001 ;beginwaarde B=100; support=10000. De volgende grafiek geeft het bekende resultaat van de verzadige groei:

Maar wat gebeurt er wanneer men de geboortemultiplier vergroot? Bijvoorbeeld: geboortemultiplier = 0.0002.

De uitkomst wordt minder regelmatig. Het lijkt erop dat er twee mogelijke uitkomsten zijn. Wij experimenteren verder. Nu: geboortemultiplier = 0.00025.

De onregelmatigheid wordt nog groter. Het lijkt er op dat er 4 mogelijke waarden zijn. Wij gaan verder. Wat gebeurt er bij: geboortemultiplier = 0.0003?

Op de uitkomst valt nog weinig peil te trekken. Het lijkt erop dat de uitkomst tamelijk willekeurig wordt. Om daar een ander zicht op te krijgen kan men een zogenaamd faseplaatje bekijken. B wordt tegen zijn differentiaal (geboorten) afgezet.

Hier is ook duidelijk dat de waarden nogal lukraak variëren.
Het is leerzaam dit soort processen ook zelf stap voor stap te
berekenen, bijvoorbeeld met hulp van een spreadsheet, maar misschien
ook om het zelf te programmeren (zie voor beiden: Dijkum 1993).
Daarbij kan men de logistische vergelijking vereenvoudigen door de
grootte van de populatie te standaardiseren tussen 0 en 1. Men houdt
dan de volgende vergelijking over:
dB/dt = B*(1-B)*a
Om een goed zicht te krijgen op wat er eigenlijk aan de hand is kan
men het eerder getoonde bifurcatiediagram (figuren 5 en 13)
bekijken.
Deze oefeningen in niet-lineaire modellen zijn bedoeld als opstap voor een model van zelforganisatie. Wij volgen daarbij Prigogine (1977,1980). Laat ons in eerste instantie bekijken welke begrippen hij gebruikt om de weg naar het begrip zelforganisatie te effenen. Allereerst het begrip Autokatalyse . Men kan dat begrip goed illustreren met het voorbeeld van de kapitaalgroei. Het verband tussen kapitaal en rente kan men zien als een oorzaak-gevolg terugkoppeling op de variabele kapitaal. Dat is verbeeld in het onderstaande diagram:

Autokatalyse slaat dus op recursieve causaliteit met een positieve terugkoppeling. Het Stelladiagram wat daarbij hoort bevat één toestandsvariabele en één instroom. Autoinhibitie slaat op recursieve causaliteit met een negatieve terugkoppeling. Bij kruiscatalyse , beïnvloedt de ene variabele de andere variabele, en omgekeerd. Daarbij hoort een Stella-diagram met twee toestandsvariabelen, met in- en uitstromen. Een voorbeeld is het prooi-jager model van Lotka-Volterra.

De kruiscatalyse tussen de populatie van jagers en prooien kan men in het volgende oorzaakgevolg diagram verbeeld zien:

Deze recursieve oorzaak-gevolg relatie gaat, zoals Stella laat zien, gepaard met twee lineaire differentiaalvergelijkingen die aan elkaar zijn gekoppeld. Een voorbeeld van zo'n systeem is:
|
Jagers(t) = Jagers(t - dt) +
(GroeiJagers) * dt |
Dit vergelijkingensysteem staat bekend als het Lotka-Voltera model.
Het gaat om een niet lineaire diffferentiaalvergelijkingen die niet
uit te drukken zijn in elementaire funkties zoals e-machten en
sinusfuncties waarmee (homogene) lineaire differentiaalvergelijkingen
op te lossen zijn. Nummerieke benadering van de oplossing leidt tot
de volgende grafisch af te beelden output:

Met deze kruiscatalyse zit men nog niet in een traject van
zelforganisatie. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld dat men het
systeem uit evenwicht brengt door de introductie van niet-lineaire
verstoringen. Pas in dit soort situaties kan het systeem zo instabiel
worden dat er een lawine van mogelijke oplossingen optreedt. Dan is
het begrip bifurcatie van toepasssing. Die situatie is eerder
geïllustreerd met de logistische curve.
Met behulp van de zo omschreven begrippen kunnen wij naar het
volgende experiment kijken. Wij gaan uit van twee populaties
die beiden gebruiki moeten maken van de hulpmiddelen van
een ondersteunend milieu. De geboortemultiplier van de eerste
populatie is hoger dan van de tweede populatie, zodat verwacht kan
worden dat de eerste populatie domineert. Daarnaast gaan de
populaties echter verschillend om met het milieu. De eerste populatie
is wat dat betreft stabiel en spreekt het mileu steeds met dezelfde
efficientie aan. De tweede populatie experimenteert meer, zij
varieert in in haar efficientieaanspraak op het milieu. Daarvoor
wordt een randomvariatie geintroduceerd. Een dergelijke situatie kan
men in het volgende Stellamodel programmeren.

Nu wordt het experiment dat men de eerste populatie een zodanig hoog geboortemultiplier geeft dat zij in een instabiel en chaotisch gebied terechtkomt. De vergelijkingen en de invulling van parameters zou dan kunnen zijn:
|
bevolking1(t) = bevolking1(t - dt)
+ (geboorten1) * dt |
De vraag is nu wat er gebeurt in dit model met de gegeven waarden van
parameters. Het antwoord vindt men men in de volgende grafiek:

Prigogine beschrijft dit als een vorm van zelforganisatie. Door
autokatalyse neemt de bevolking1 eerst zeer snel toe, zij
raakt echter vervolgens door te sterke groei uit evenwicht
waardoor kleine fluctuaties grote gevolgen hebben en komt in
een chaotisch gebied van bifurcaties terecht waarbij de
autocatalyse omslaat in autoinhibitie . De tweede populatie
kan door middel van haar randomexperimenten profiteren van de
verminderde aanspaak op het milieu door de eerste populatie. Deze
vorm van kruiscatalyse zorgt er uiteindelijk voor dat de
tweede populatie, die volgens haar geboortemultiplier achterbleef bij
de eerste populatie, langzaam maar zeker de eerste populatie kan
inhalen en zelfs kan overvleugelen. Prigogine praat over dit proces
in termen van het bezetten van ecologische nissen . Dat zou de
manier zijn waarmee in de biologie zelforganisatie werkt.
Modellen van Prigogine
Het is niet het enige model dat Prigogine geeft voor
zelforganisatie. Voor de chemie geeft Prigogine het voorbeeld van de
Brusselator, een systeem van differentiaalvergelijkingen dat een
chemische reactie beschrijft in niet-lineaire termen.
dX/dt = A + X2Y - BX - X
dY/dt = BX - X2Y
Het is duidelijk dat ook dit systeem in Stella te programmeren,
bijvoorbeeld in het volgende diagram:

Experimenten met dit soort modellen kan als resultaat het volgend faseplaatje geven. Het proces is chaotisch geworden. Kleine fluctuaties krijgen grote gevolgen.

Verder experimenterend met en redenerend over dit soort modellen
bracht Prigogine op het volgende resultaat. Het systeem kon door
kleine fluctuaties en grote gevolgen uit evenwicht worden gebracht,
waarbij tenslotte het proces van bifurcatie het systeem in een nieuw
evenwicht kon brengen. Er waren echter verschillende nieuwe
evenwichten mogelijk die allemaal gelijkwaardig waren. Maar eenmaal
een bepaald pad van bifurcaties ingezet, werd het proces
onomkeerbaar en werd de symmetrie tussen deze mogelijke nieuwe
evenwichten verbroken. Prigogine schrijft hierover als het verbreken
van symmetrie door kritische fluctuaties c.q. dissipatieve
structuren .
Voorbeelden van processen waarbij orde uit chaos ontstaat bij
systemen die ver uit evenwicht zijn geraakt zijn er vele. Prigogine
verwijst, naast de eerder beschreven modellen, bijvoorbeeld naar:
modificaties van het prooi-roofdiermodel van Lotka-Volterra;
naar het spel van auto- en kruiscatalyse dat de chemicus Eigen
(1971, 1977) beschreef in termen van hypercycli ; het
model van een stedelijke evolutie zoals dat door Allen (1977)
is beschreven (een uitbreiding van het besproken model waarin twee
populaties aanspraak maken op dezelfde hulpmiddelen van het milieu);
het catastrophe model van Thom [2]; en uiteraard op vele modellen
van chemische reacties .
De chaostheorie geeft in principe een hele verzameling van
niet-lineaire modellen die bouwstenen kunnen leveren voor modellen
van zelforganisatie. Daarbij is het uiteraard de vraag van welke
definitie van zelforganisatie men uitgaat en welke modellen dan
geëigend zijn. Gaat men uit van het idee dat zelforganisatie
een proces is van de ontwikkeling van een systeem waarvoor geen
explicitie regels zijn te geven voor de wijze waarop zich dat proces
ontwikkelt, terwijl het toch gaat om proces dat als eigen voor het
systeem is te zien , dan opent zich de hele reeks van modellen
die in de chaostheorie zijn beschreven. Wij kunnen opnoemen: (1) de
geremde groei vergelijkingen van Verhulst; (2) de vergelijkingen van
Lorenz voor de ontwikkeling van het weer; (3) de vergelijkingen van
Langevin waarin de Brownse beweging als omgevingsfluctuatie werd
geanalyseerd; (4) de vergelijkingen van Fokker-Planck voor de
stochastiek van systemen uit evenwicht; (5) en ga zo maar door, zodat
eigenlijk alle niet lineaire modellen in aanmerking komen. In dit
perspectief is de omschrijving van zelforganisatie niet gedemarceerd
ten opzichte van de beschrijving van de dynamiek van niet-ineaire
systemen.
Voor wat betreft de toepassing van de chaostheorie in de sociale
wetenschappen, komt men feitelijk alle genoemde modellen tegen. Ik
noem wat voorbeelden:
1) De geremde groei vergelijkingen van Verhulst:
Men vindt die vergelijkingen terug bij de beschrijving van:
demografische processen (Oskamp 1992); de verspreiding van ziekten
(Metz 1990, Lauwerier 1980, De Tombe 1992); sprongen in leerprocessen
(Geert 1991,Kunnen 1993).
2) De vergelijkingen van Lorenz:
Voor de beschrijving van het verloop van de mening over
kernenergie werden deze vergelijkingen in 1989 door Troitsch
gebruikt.
3) De vergelijkingen van Langevin:
Door Troitsch werd ook gebruik gemaakt van deze
vergelijkingen.
4) De vergelijkingen van Fokker-Planck:
Werden door Weidlich en Haag geïntroduceerd en gebruikt voor
het beschrijven van de ontwikkeling van meningen (zie ook: Lam
1992).
5) En ga zo maar door:
Andere soorten niet-lineaire differentiaalvergelijkingen doken op
in diverse onderzoeken. Been (1992) gebruikte voor de beschrijving
van leesstoornissen een vergelijking waarin de niet-lineairiteit werd
vertegenwoordigd door de introductie van een cosinus en een inverse
exponentiële functie. Hommes (1992) gebruikte voor zijn
beschrijving van de niet lineaire dynamiek van de markt van vraag en
aanbod een tangensfunctie. Eger en Weise (1990) introduceerde in hun
beschrijving van soorten van evenwicht, onder druk van conformiteit,
bij meningsvorming in hun differentiaalvergelijkingen een vierde
machts potentiaalfunctie. De Japanner Ohnishi (1992) maakt in zijn
beschrijving van de ontwikkeling van de meningsvorming over het
gebruik van kernenergie duidelijk dat cellulaire automaten een
alternatief vergelijkingssysteem vormen die uiteindelijk een
niet-lineaire dynamiek te zien geven [3]. En zo zijn er nog veel meer
voorbeelden te geven waaruit blijkt dat pionierende sociale
wetenschappers gebruik maken van veel soorten niet
lineaire-functies.
Dat ondersteunt het idee dat de exploratie van het begrip
zelforganisatie zich beweegt op het terrein van de chaostheorie.
Daarnaast valt op dat onderzoekers in het gebruik van de boven
omschreven modellen zelf ook vaak de term zelforganisatie
gebruiken.
Dat geldt zeker voor de school van Haken(1977), die het begrip
synergie gebruiken om zelforganisatie te beschrijven. Synergie slaat
immers op het proces dat kleine verstoringen elkaar al resonerend
versterken tot een nieuw patroon dat anders nooit was ontstaan. In
het algemeen gesteld is synergisme het omtstaan van macro-effecten
binnen een complex systeem door de samenwerking van interacterende
subsystemen, zonder dat er sprake is van centrale leiding. (zie Lam
1992, blz. 103). Duidelijk wordt ook gesteld dat recursieve
causaliteit de motor is van het proces van zelforganisatie. Maar het
begrip synergie is nauwelijks meer gedemarceerd ten opzichte van de
verschijnselen die de chaostheorie beschrijft dan de eerder gegeven
omschrijving van het begrip zelforganisatie. Modellen van synergie
zijn vanuit deze constatering modellen van zelforganisatie. Modellen
van synergie en zelforganisatie zijn volgens deze visie te simuleren
door middel van een computer.
Niet alle beschreven auteurs gebruiken op die manier het begrip
zelforganisatie en/of synergie. Een aantal auteurs gebruiken het
begrip zelforganisatie en/of synergie in hun beschrijving van
chaosmodellen zelfs helemaal niet. Daar blijft het antwoord op de
vraag of zelforganisatie te simuleren is door middel van
niet-lineaire modellen in het luchtledige hangen.
De voorafgaande beschrijvingen en betogen leiden vanzelf tot de
vraag:
Wat is zelforganisatie meer dan een niet-lineair dynamisch proces
zoals dat op een computer kan worden gesimuleerd?
Het antwoord dat Prigogine gaf vult het meer in in termen
van autocatalyse, autoinhibitie, kruiscatalyse en bifurcatie, maar is
nog steeds met behulp van de wiskundige begrippen uit de chaostheorie
gesteld. Daarop wordt overigens vanuit het begrippenkader van de
thermodynamica een bepaald perspectief gezet, namelijk de
logica van de onomkeerbaarheid van die dynamische processen,
zodat zij een éénmalig karakter krijgen. Het antwoord
van de groep rondom de fysicus Haken is daarmee vergelijkbaar,
alhoewel daarbij minder als bij Prigogine nog wordt gezocht naar een
nieuwe logica. Haken stelt volgens sommigen te makkelijk dat de
parameters van het macro-niveau de parameters van het mikro-niveau
dwingen tot bepaalde waarden (zie bijvoorbeeld: Meijer 1993, Hofinger
1993).
In deze antwoorden van natuurwetenschappers die verwijzen naar de
theorie van dynamische systemen wordt de definitie "wanneer in een
systeem van entiteiten een patroon ontstaat dat niet wordt
gegenereerd door expliciete instructies of regels, dan wordt dit
patroon toegeschreven aan een proces van zelforganisatie "
(Ruhland 1993)" uitdrukkelijk meegenomen. Het is juist de essentie
van computersimulatie dat het experimentele wiskunde betreft voor
onderzoek van algorithmen die uitkomsten genereren die niet
analytisch kunnen worden beschreven. In de chaostheorie wordt de term
deterministische chaos gebruikt om uit te drukken dat een exact
bepaald algorithme desondanks onbepaalde uitkomsten genereert. Het is
de paradox van het zo ingevoerde perspectief op
deterministische processen dat die onbepaaldheid pas duidelijk wordt
als men het simulatieonderzoek doet. De computer moet ingeschakeld
worden om te weten waar de computer niet ingeschakeld kan worden. Pas
op zo'n moment kan een menselijk subject een
interpretatiekader inbrengen voor die onbepaaldheid. Een
interpretatiekader dat het subject echter in een zodanige taal moet
stellen dat hij daarover kan communiceren met andere menselijke
subjecten. Voor wiskundigen is het duidelijk dat die taal de wiskunde
is. Die bezit blijkbaar naast algorithmische elementen ook niet-
algorithmische elementen, bijvoorbeeld in de omschrijving van
oneindige verzamelingen (zie: Penrose 1989). Het is geruststellend
dat sommige wiskundigen daarbij menen dat één en ander
uiteindelijk uitgelegd moet kunnen worden in de natuurlijke
taal . Redeneringen over tellen en rekenen, waarmee de Grieken
nog moeite hadden, zijn een integraal onderdeel geworden van de
natuurlijke taal. Het is gedemonstreerd dat de uitleg van de essentie
van differentiaalvergelijkingen ook in de natuurlijke taal is te
geven. Voorstelbaar is dan misschien dat het begrip oneindig, of
liever het begrijpen van het fenomeen dat sommige zaken niet zijn af
te tellen (overaftelbaar zijn), zoals dat een kenmerkend element
vormt van de chaostheorie, uiteindelijk op een navolgbare wijze
uitgedrukt kan worden in de natuurlijke taal. Misschien, als die is
uitgebreid met nieuwe woorden, begrippen en redeneringen.
In deze visie is het onderzoek naar zelforganisatie van sociale
wetenschappers in ieder geval interdisciplinair en vooral een
onderzoek naar nieuwe begrippen en redeneringen. Dat lijkt mij
verfrissend in een situatie waarin, naar mijn mening, de ontwikkeling
van de sociale wetenschappen wordt geblokkeerd door misverstanden,
zoals bijvoorbeeld: het idee dat de wiskunde niet experimenteel zou
zijn (Swanborn 1987), terwijl de wiskunde dat wel degelijk kan zijn
(Von Neuman 1947, Lauwerier 1980); of het idee dat
differentiaalvergelijkingen veel moeilijker zijn te begrijpen dan
redeneringen over correlatie, factoranalyse, e.d.; of het idee dat er
alleen maar falsificatie mogelijk is; of het dogma dat causaliteit
niet als symmetrisch proces is te analyseren; of de oneigenlijke
tegenstelling tussen kwantitatief en het kwalitatief onderzoek;
etcetera, etcetera.
Daarnaast kunnen sociale wetenschappers wat mij betreft trachten hun
eigen taal en innovaties in te brengen in het interdisciplinaire
onderzoek over zelforganisatie. En dat vanuit de vraag:
Als de computersimulatie van zelforganisatie het sociale
wetenschappers mogelijk maakt interpretatiekaders in te brengen
waarin de eigenaardigheid van de menselijke interactie wordt
beschreven, wat zijn dan de essentiële toevoegingen?
Het is een vraag die ik in het kader van deze paper niet
beantwoord. Dat vergt teveel bladzijden. Wel kan ik alvast een aantal
opmerkingen maken.
Allereerst dat in de jaren zestig door Heinz van Foerster (zie:
Foerster 1984) vrij fundamenteel is nagedacht over zelforganisatie.
Eén van de zaken die daarbij door hem is ingebracht is het
verschil tussen een triviale- en niet-triviale machine .
Vanuit de bovenstaande beschouwingen over de chaostheorie wordt dan
eigenlijk niets nieuw ingebracht. Op een andere, voor sommigen
handzame wijze, wordt nog een keer uitgedrukt dat de uitkomsten van
een computerberekening triviaal kunnen zijn (als het algorithme en
uitkomsten elkaar feitelijk dekken), maar ook niet triviaal (als een
algorithme leidt tot in eerste instantie onnavolgbare uitkomsten). Of
daarmee menselijke subjecten in hun zelforganiserende activiteit
vervolgens ook als niet-triviale machines kunnen worden beschouwd is
natuurlijk de vraag. Een ander element dat door von Foerster en
anderen werd ingebracht in de discussie over zelforganisatie is het
idee dat de regelkringen van de menselijke interactie kunnen worden
beschreven met behulp van cybernetische principes, maar dan wel met
de principes van de tweede orde cybernetica, waarin de
waarnemer een deel is van het waargenomene .
Zelfreferentie is dan een element van het proces van
zelforganisatie. Wat dat vervolgens inhoudt is echter minder
duidelijk. Von Foerster schrijft bijvoorbeeld over woorden en
begrippen die naar zichzelf verwijzen. Een machine die gebruik maakt
van naar zichzelf verwijzende symbolen zou dan niet-triviaal zijn.
Vanuit de huidige chaostheorie is dat een ingewikkelde manier om te
zeggen dat naar zichzelf verwijzende berekeningen (iteratieve
berekeningen) zodanig kunnen functioneren dat zij niet-lineariteit
introduceren en op die manier analytische onbepaaldheid. De vraag is
of Foerster daar iets aan toe voegt.
Interessant wordt het voor mij pas als von Foerster verwijst naar
de systeemtheoreticus Löfgren en diens opvatting van
zelfreferentie. Löfgren (1991) koppelt dat namelijk in recent
werk aan het idee dat taal ook werkelijkheid is, waarbij de
zelfreferentie van taal wordt geproduceerd in een proces waarin
objectiviteit complementair is aan subjectiviteit. In dat kader heb
ik gepleit voor de hernieuwde introductie van het subjectbegrip in de
sociale wetenschappen (1991a) en het niet-algorithmisch karakter
zoals dat door Chomsky (1965) werd beschreven. Dat is in
overeenstemming met het in deze paper gehouden betoog dat op een
bepaald moment de intuïtie van de menselijke waarnemer de
interpretatie van simulatieresultaten moet bepalen en de stap moet
zijn naar de selectie van een nieuwe orde. In deze
constructivistische opvatting (Dijkum 1991b) van wetenschap is
de communicatie van die subjectiviteit doorslaggevend voor de
productie van nieuwe zinvolle wetenschappelijke kennis. In deze
opvatting kunnen ook beschouwingen over de rol van het menselijk
bewustzijn weer erkend worden, met name bij de cruciale vraag of dat
bij het proces van zelforganisatie een rol speelt. Is zelforganisatie
gewild en geweten, zou men rethorisch kunnen vragen. Natuurlijk niet.
Maar kan het menselijk willen en weten een handje helpen? Kan men de
bifurcaties assisteren, zoals Prigogine suggereert? Maar, hoe dan? Is
daarbij inzicht in de leefwereld en de geschiedenis van betrokkenen
behulpzaam, zoals bijvoorbeeld door de psycho-analytica
(Wieland-Burston 1992), die zich door de chaostheorie laat
inspireren, wordt gesuggereerd? Kortom, er kunnen talloze vragen
bedacht worden waarin steeds de cruciale vraag naar voren komt
òf zelforganisatie zich laat beïnvloeden door de
menselijke wil en waarneming. En zó ja, hoe dan?
Verder zou men zich kunnen afvragen of het begrip autopoiese ,
zoals dat door Maturana en Varela (1974) in de discussie over
zelforganisatie is geïntroduceerd, iets toevoegt. Men kan zich
afvragen of zij niet analoog aan von Foerster de dynamiek van de
niet-triviale (biologische) machine op het oog hadden. Wat bedoelde
Maturana met zijn "generatieve mechanismen". Ook het begrip
"zelfsluiting " dat een materialistische invulling lijkt te
zijn van het begrip "zelfreferentie", - omdat het de afsluiting is
van het organisme van zijn omgeving door het stellen van grenzen -,
moet worden verduidelijkt. Het lijkt er daarbij zelfs op dat Maturana
er vanuit gaat dat biologische organismen, los van de omgeving,
uiteindelijk zelf hun eigen wereld kunnen scheppen. Dat is een
radicaal constructivistische opvatting die op nogal wat kritiek
stuit. Kortom de redeneringen van Maturana en Varela roepen in eerste
instantie meer vragen op dan dat er antwoorden worden gegeven. Maar
het zeker de moeite waard deze begrippen te analyseren, vooral ook
omdat zij zijn gekoppeld aan onderzoek van biologische systemen.
Apart daarvan kan de vraag gesteld worden hoe men het fenomeen van
zelforganisatie in de samenleving empirisch kan beschrijven.
Er is bijvoorbeeld door von Foerster beschreven hoe men het
functioneren van kleine groepen in termen van zelforganisatie kan
beschrijven. Hij beschreef het ontstaan van een patroon van
functioneren dat door geen enkel groepslid of door geen enkele leider
kon worden voorzien of in de hand kon worden gehouden. Daarbij werd
met behulp van groepsdynamisch onderzoek ook aannemelijk gemaakt dat
een zich zo organiserende groep beter op het verichten van complexe
taken is ingesteld, dan een centraal geleide groep. Uiteraard is dat
een belangwekkende resultaat. Maar, hoe komen wij nu verder in dit
soort onderzoek? Hoe kan men het groepsproces met behulp van
algorithmen simuleren? En hoe kan men de resultaten van die simulatie
gebruiken voor het verder empirisch onderzoeken van het beschreven
fenomeen? En wat zegt dan tenslotte dit soort onderzoek over de
functie van zelforganisatie voor de efficientie van het functioneren
van kleine groepen.
In ieder geval kunnen bijna alle essentiele vragen van de
sociocybernetica, of het nu om de cybernetica van de eerste of de
tweede orde gaat, geherformuleerd worden in de vraagstukken van de
wetenschap van de complexiteit zoals dat gepioneerd wordt door
Prigogine (1977), Haken (1993) en Casti (1994). Een essentiele vraag
is uiteraard welke aspecten van het menselijk denken kan worden
nagedaan met behulp van computer algorithmen. Er zijn nogal wat
auteurs die aan Gödel of aan Turing refereren om zo een positief
antwoord te geven. Casti (1994) geeft wat dat betreft echter op de
oude vraag op welke wijze wetenschap kennis en waarheid brengt (b.v.
Popper 1934) een nogal intrigerend antwoord. Waarheid kan worden
gezien als een attractor in het chaotisch proces van het verzamelen
en laten accumuleren van kennis. Of sterker: zonder chaos is er geen
waarheid. In deze visie op complexiteit komt de waarnemer weer terug
en treedt de waarnemer zelfs op in de definitie.
How many inequivalent descriptions of N can our observer generate?
The complexity of a system N as seen by an observer is directly
proportional to the number of such descriptions (Casti 1994)
En zo brengt de wetenschap van de complexiteit ons weer terug een
aantal bekende discussies van de sociocybernetica, maar naar mijn
overtuiging in een taal geformuleerd waarin een aantal problemen
beter kunnen worden aangepakt.
NOTEN
[1] Dezelfde rekenmachine zal steeds dezelfde chaotische
uitkomsten produceren, maar afhankelijk van de precisie van de hard-
en software kunnen de uitkomsten verschillen.
[2] Als beschrijving van de instabiliteit van oplossingen van een
niet lineaire differentiaalvergelijking in een bepaald punt. Dit
soort beschrijvingen is door Zeeman overgenomen bij zijn
catastrophetheorie
[3]Wiskundig valt te bewijzen dat cellulaire automaten een
vergelijkingensysteem produceren dat equivalent is met een systeem
van niet-lineaire differentiaalvergelijkingen
Literatuur
Allen P.M. , Deneubourg J.L., Sanglier M., Boon F. & Palma A. (1977). Dynamic urban models. Reports to the Department of Transportation.
Bateson G., Steps to an ecology of mind,Ballantine, New York 1972.
Bateson G., Steps to an ecology of mind,Ballantine, New York 1972.
Been P., De dynamica van dyslexie, in: Dijkum C. van, Tombe D. (red), Gamma-chaos: onzekerheid en orde in de menswetenschappen, Aramith Uitgevers, Bloemendaal 1992.
Broer H.W., Verhulst F. (red), Dynamische systemen en Chaos, Epsilon, Utrecht 1990.
Casti J.L. (1994), Complexification, Harper Collins Publishers: New York.
Chatterjee S., Yilmaz R.M., Chaos, fractals and statistics, in: Statistical Science, Vol. 7, nr. 1, 1992
Chomsky N., Three models for description of language, in: Luce R.D. (red), Readings in Mathema tical Psychology, Wiley & Sons , New York 1965.
Cullen M.R., Zill D.G. (1996). Differential Equations with Boundary-Value Problems. Pacific Grove: Brooks/Cole Publishing Company.
DeTombe D. (1994). Defining complex interdisciplinary societal problems. Amsterdam: Thesis Publishers.
DeTombe D.J., & Dijkum C. van (Eds.) (1996) . Analyzing Complex Societal Problems: a Methodological Approach. München : Rainier Hampp Verlag.
Dilthey W., Einleitung in die Geisteswissenschaften, Gesammelte Schriften 1, Berlijn 1923(oorspronkelijk 1883).
Dijkum C. van, Science after Popper: Towards a New Methodology of Social Science, in: Die Gedankenwelt Sir Karl Popper: Kritischer Realismus im Dialog, Leser N., Seifert J., Plitzner K. (ed), Heidelberg 1991a.
Dijkum C. van, Towards a new methodology: from Popper to Social Cybernetics, in: Mutual Uses of Cybernetics and Science, special issue of Systemica, Vol. 8, Glanville R., Zeeuw G. de (Eds.), Amsterdam 1991b.
Dijkum C. van, Constructivism in Informatics, in: Dijkum C. van, Wallner F., Constructive Realism in Discussion, Amsterdam 1991c.
Dijkum C. van, Wallner F., (Eds.), Constructive Realism in Discussion, Sokrates Science Publisher, Amsterdam, 1991d.
Dijkum C. van, Tombe D., Gamma-chaos: onzekerheid en orde in de menswetenschappen, Aramith Uitgevers, Bloemendaal 1992.
Dijkum C. van, Menswetenschappen en chaostheorie, in: Wijsgerig perspectief op maatschappij en wetenschap, nr. 3, 34e jaargang, 1993.
Dijkum C. van, (1994). The falsification of determinism in modern science and constructive realism, paper for the International conference on the Vienna Circle and contemporary science and philosophy: in memory of Tscha Hung, Beijing.
Dijkum C. van, Orde in chaos, in: Blaise 24, jaargang 6, maart 1993a.
Eger Th., Weise P., Normen als gesellschaftliche Ordner, in: Ökonomie und Gesellschaft, Jahrbuch 8, Frankfurt 1990.
Eigen M. (1971). Self-Organization of matter and the evolution of of Biological Macromolecules. In: Naturwiss. t58, pp. 456-522.
Eigen M. & Schuster P. (1977-78). The Hypercycle. In: Naturwiss. 64, pp. 541-565; 65, pp. 341-369.
Foerster H. von, Principles of Self-Organization, in: Probst G.J.B. (red), Selforganzation and Management of Social Systems,Springer, Heidelberg 1984.
Forrester J.W., World Dynamics, Wright Allen Press, Cambridge 1971.
Geert P. van, A dynamic systems model of cognitive and language growth, in: Psychological review 98 (1), 1991.
Geyer F. (1994). The challenge of sociocybernetics. Paper for the 13th world congress of sociology, Bielefeld, Germany.
Gödel K., Über formal unentscheidbare Satzen der Principia Mathematica und verwandter Systeme, Montatshefte für Mathematik und Physik 38, 1931.
Grasman J., Fractale structuren in de dynamica van systemen, in: Broer H.W., Verhulst F. (red), Dynamische systemen en Chaos, Epsilon, Utrecht 1990.
Griffeath D. (1992). Comment: Randomness in complex systems. In: Statistical Science, Volume 7, no. 1, page 104.
Groot A.D., Algemene Methodologie, Mouton, Den Haag 1961.
Groot A.D., Medendorp F.L., Term, begrip, theorie: inleiding tot signifische begripsanalyse, Boom, Meppel 1986.
Haken H. (ed), Springer Series in Synergetics, meer dan 50 delen, Springer, Berlijn 1977-1993.
Hofinger C. (1993) Seminararbeit zur thema selbstorganizations-modelle. Wien: Institut für Höhere Studien.
Hommes C., Chaotisch prijgedrag in een eenvoudig economisch model, in: Wetenschappelijk tijdschrift voor informatica en modelbouw, nr1, SISWO 1992.
Holzkamp K., Kritische Psychologie, Fischer, Frankfurt 1972.
Kunnen S., Voordracht voor de SISWO-werkgroep zelforganisatie, Amsterdam 1993.
Lam N., Synergisme, of hoe de structuur verrijst uit de chaos, in: Dijkum C. van, Tombe D. (red), Gamma-chaos: onzekerheid en orde in de menswetenschappen, Aramith Uitgevers, Bloemendaal 1992.
Laplace P.S., Essai philosophique des probabilités, in: Théorie analytique des probabilités, Paris (1812,1814).
Lauwerier H., Modellen met microcomputer, Epsilon, Utrecht 1980.
Lorenz E.N., Deterministic nonperiodic flow, in: Journal of Atmosphere Science 20, 1963.
Löfgren L., The Nondetachability of Language and Linguistic Realism, in: Dijkum C. van, Wallner F. (ed), Constructive Realism in Discussion, Sokrates Science Publiser, Amsterdam 1991.
Maturana H.R., Varela F.J. , Uribe, R., Autopoesis: The Organization of Living Systems, It's Characterization and a Model, Biosystems, nr. 5, 1974.
Meadows D. L. , Behrens W., Meadows D. (ed). Dynamics of growth in a finite world, Massachusetts : Wright-Allen, 1974.
Meijer O.G., Bongaardt R., Systeemtheorie Bewegings weten schap pen, in: Wetenschappelijk tijdschrift voor informatica en modelbouw, nr2, SISWO 1992.
Von Neuman J. von, The Mathematician, in: Heywood R.B. (ed), The works of mind, University of Chicago Prees, Chicago 1947.
Ohnishi T., A cellular automation model for the change of public attitude regarding nuclear energy, CRC Research Institute, Nakase 1992.
Penrose R., The emperor's new mind, Vintage, London 1989.
Poincaré H., Science et méthode, Paris 1908.
Popper K.R., The logic of scientific discovery, Hutchinson and Co, London 1959 (Oorspronkelijke Duitse uitgave : Springer, Wenen 1934).
Popper K.R., The Open Universe. An Argument for Indeterminism. From the Postscript to the Logic of Scientific Discovery, Totowa 1982.
Prigogine, Self-organization in Nonequillibrium systems, Willey, New York 1977.
Prigogine, From being to becoming, Freeman, San Francisco 1980.
Ruhland R., Dynamische systemen en transities: nieuwe benaderingen in de ontwikkelingspsychologie, Discussiestuk, Groningen 1993.
Stegmüller W, Historische, psychologische und rationale Erklarung, Studienausgabe, Teil 3, Springer Verlag, Heidelberg 1969.
Struik D.J., Geschiedenis van de wiskunde, Sprectrum, Utrecht 1965.
Swanborn P.G., Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, Boom, Meppel 1987.
Tennekes H., De vlinder van Lorenz, Aramith Uitgevers, Bloemendaal 1990.
Thom R. , Structural stability and morphogenesis, Reading, Massachusetts 1975.
Troitzsch K. G., Chaotisch Verhalten in einem Sozialsystem, in: Campbel A.B. (Hg), Dissipatieve strukturen in integrierten system, Baden Baden 1987.
Turing A.M. (1936), On computable numbers with an application to the ent scheidungs problem,in: Proceedings London Mathematical Society, ser. 2, vol. 42.
Verhulst F. (1990), De historische route naar Chaos, in: Tennekes H. (red), De vlinder van Lorenz, Bloemendaal 1990.
Weidlich W., Haag G., Quantatieve Sociology, Springer, Berlijn 1983.
Weijnen A., Nederlands Woordenboek, Utrecht: Het Spectrum.
Wieland-Burston J., Chaos and order in the world of the psyche, Routledge, London 1992.
Zeeuw G. de, Is chaos te zien?, in: Dijkum C. van, Tombe D., Gamma-chaos: onzekerheid en orde in de menswetenschappen, Aramith Uitgevers, Bloemendaal 1992.